Een niet-alledaags dagboek


Maandag 8 november 1999

Bij het opstaan weet ik het al: dit wordt weer één van die zware dagen. Opnieuw wens ik, voor de zoveelste keer, nog eens één dag zonder pijn te kunnen leven. Toch maar alle moed bijeen geraapt en gaan werken. Om negen uur weet ik het echter zeker: ik heb de verkeerde keuze gemaakt; ik was beter thuisgebleven. De rest van de dag neemt de pijn het over. Op dergelijke momenten vraag ik mij telkens af hoe ik de volgende tien minuten doorkom. Toch komt ook aan zulke zware dagen een einde. Hopen dat het morgen beter gaat.

Dinsdag 9 november 1999

Tijd om op te staan. Zelfs de eerste stap valt al dik tegen. Uitstralingspijn in mijn linkerbeen. Tegen de tijd dat ik gewassen en aangekleed ben, is het duidelijk: het is mis, en het is serieus mis deze keer! Door de hevige pijn in mijn been ben ik verplicht al zittend de trap af te komen. Gaan werken zit er dus echt niet in. In mijn achterhoofd spookt nu reeds het beeld van een nieuwe operatie.

Over de volgende drie maanden kan ik kort zijn: pijn, meer pijn, en nog meer pijn. Na verschillende vervelende en meestal ook pijnlijke onderzoeken zal er op 17 februari (tijdens de consultatie op neurochirurgie) eindelijk beslist worden of er moet (of zelfs überhaupt kan) geopereerd worden. Vermits het inplanten van een pijnpomp (dus voor de rest van mijn leven afhankelijk zijn van morfine) het enige alternatief is, ben ik eigenlijk enigszins opgelucht wanneer beslist wordt om tot operatie over te gaan. Er wordt mij beloofd dat ik slechts één a twee weken zal moeten wachten. De dagen en weken gaan voorbij zonder een verlossend telefoontje van het ziekenhuis. Verlossend, omdat tegen eind februari de pijn, zelfs voor mij, ondraaglijk wordt. Vanaf dat moment is het ook noodzakelijk om nog meer zware pijnstillers te gaan nemen; ook al ben ik daar kotsmisselijk van en besef ik zeer goed dat ik mijn hele lichaam daarmee volledig aan het ondermijnen ben.

 Vrijdag 10 maart 2000

Ondraaglijke pijn! De huisdokter besluit een morfinepleister aan te brengen om op die manier de pijn te proberen verzachten.

 Zaterdag 11 maart 2000

 De pijn is iets beter, min of meer draaglijk: maar ik ben kotsmisselijk. Na een telefoontje naar de huisdokter blijkt dat ik de pleister dan moet verwijderen. Zelfs tot een dag nadien kan ik geen eten of drinken binnenhouden. De volgende dagen neemt de pijn alleen nog maar toe.

Dinsdag 14 maart 2000

De pijn neemt nu letterlijk alles over en ik heb geen enkele controle meer over mezelf. Bij het dagelijkse bezoek aan de kinesist (om te vermijden dat de geknelde zenuw zou verkleven) zijn zelfs de tranen niet meer te stoppen. Om 10 uur ’s avonds wordt dan beslist om opnieuw de huisdokter erbij te roepen. Deze dwingt mij om de volgende dag via spoedgevallen binnen te gaan.

Woensdag 15 maart 2000

Spoedgevallendienst op Gasthuisberg te Leuven. Binnen de vijf minuten wordt beslist mij op te nemen en iedereen is verbaasd dat ik al een maand op de dringende wachtlijst sta. Als het operatieschema het toelaat, zou het vrijdag 17 maart al gebeuren.

Vanaf dan lijkt het of alle sterkte en vechtlust tegen de pijn, in mij verdwenen is. Ik ben aan bed gekluisterd door de pijn en kan niets meer: wassen en eten gebeurt allemaal in bed.
Voor de rest gaan de dagen min of meer aan mij voorbij omwille van de pijnstillers die ik krijg toegediend. Daarnaast is de misselijkheid echter nooit ver weg. Uiteindelijk is het pas op dinsdag 21 maart dat ik geopereerd word.

Woensdag 22 maart 2000

Ik voel mij een nieuw mens. De pijn in mijn been is weg. Uiteraard is er de pijn van de wonde maar die bedraagt naar mijn gevoel nog niet 1/100e van de pijn van de afgelopen 4 maanden. Het herstel kan beginnen. Ik kan er weer tegenaan. Vanaf nu enkel bergop.

Maandag 27 maart 2000

Ik kan naar huis. Wel moet ik nog twee maanden thuisblijven om te revalideren. Dit valt mij even tegen: normaal stelt men zes weken als herstelperiode en ik had natuurlijk al uitgeteld dat ik dan op 8 mei weer zou kunnen gaan werken. Niet dus! Het vonnis luidt: thuis blijven tot en met 26 mei.

De volgende dagen verlopen vrij goed op enkele vervelende kwaaltjes na: een zeer vlugge polsslag (tot 120 per minuut in rust), beven (zo erg dat ik met moeite mes en vork kan hanteren) en de hele tijd lijkt het of het wel 30 graden is, zo zit ik te zweten.

Vrijdag 31 maart 2000

De draadjes mogen eruit. De huisdokter merkt ook de bovenvermelde dingen op. In eerste instantie wordt vermoed dat het afkickverschijnselen van de zware medicatie zouden kunnen zijn. Wel oppert zij voorzichtig ook de mogelijkheid van een schildklierprobleem.

De volgende dagen verergeren de symptomen, want uiteindelijk blijken het dat echt wel te zijn. Op woensdag 5 april meet ik, na mij te wassen en aan te kleden, een polsslag van 160 per minuut. De huisdokter vraagt dan ook een bloedtest aan. Blijkbaar vertoon ik alle symptomen van een hyperactieve schildklier. Donderdagavond wordt de diagnose bevestigd door de bloeduitslagen. Bovendien is het zo ernstig dat ik zo spoedig mogelijk op consultatie zou moeten gaan in het ziekenhuis. Een spoedige behandeling dringt zich immers op. Inmiddels heb ik sinds woensdagavond ook veel buikpijn. Deze verergert op vrijdag. Die pijn herken ik van 2 jaar geleden: diverticulitis ( een ontsteking van kleine uitstulpingen die ontstaan zijn op de dikke darm). Een antibioticakuur wordt gestart. Tegen zondagmorgen is de pijn echter zo hevig dat ik geen enkele beweging meer kan maken zonder dat er een pijnscheut door me heen gaat. De huisdokter stuurt me dadelijk naar het ziekenhuis via spoedgevallen omdat het toedienen van antibiotica via intraveneuze weg nog de enige oplossing biedt. Ik moet inderdaad opgenomen worden. Er is immers kans op perforatie van de darm met een algehele buikvliesontsteking tot gevolg. Het meeste ben ik bang voor de vervelende onderzoeken. Je moet immers weten dat ik al een hekel heb aan een mini-lavementje.

Zondag 9 april 2000

Nog altijd op de spoedgevallendienst. Omstreeks 14.30u komt een verpleegster temperatuur, polsslag en bloeddruk meten. Zij start dan ook een infuus met antibiotica. Amper vijf minuten later voel ik mijn hondsberoerd: tranende ogen, hoesten, enorm draaierig, een hittegevoel in mijn hoofd en mijn keel die per seconde meer opzwelt waardoor ik dreig geen adem meer te krijgen. Gelukkig is de verpleegster alert en merkt ze op dat ik in shock ga (wanneer dat te laat zou opgemerkt zijn, leidt het onvermijdelijk tot coma of erger). Vanaf dat moment ontstaat er ook bij de artsen – ik weet trouwens nog altijd niet van waar die allemaal zo snel kwamen – enige paniek. Nadat ze mij enigszins gestabiliseerd hebben, brengen ze me over naar de dienst Intensieve Zorgen, waar ik tot ’s nachts verblijf. Het vonnis: een zeer zware allergische reactie op penicilline? Het heeft dan ook niet veel gescheeld of ik had dit nu niet meer geschreven. 

Maandag 10 april 2000

Nog enkele vervelende onderzoeken. Bovendien moet er opgelet worden welke stoffen daarbij gebruikt worden, want met de bloeduitslagen van zondag wordt het ernstige schildklierprobleem nogmaals bevestigd. Iedereen begint er nu echt op te hopen dat dit het laatste is. Niets is echter minder waar. In de namiddag deelt de dokter mij “terloops” mee dat ik binnen een aantal weken of maanden, wanneer de ontsteking genezen is, opnieuw zal moeten opgenomen worden aangezien ze dat stuk van de dikke darm operatief gaan verwijderen. 

Het lijkt wel of er geen einde aan komt. Toen ik op zoek was naar een titel dacht ik aan verschillende dingen:
“the never-ending story”: titel afgevoerd wegens het tarten van het noodlot;
“uit het leven gegrepen”: titel afgevoerd wegens te cynisch, gelet op de toch wel levensbedreigende situatie van zondag.
Uiteindelijk koos ik voor “een niet alledaags dagboek”; enerzijds omdat het (hopelijk voor alle mensen) niet alledaags is en anderzijds omdat niet alle dagen beschreven staan.

Waar ik tot nu toe nog niets over geschreven heb, maar wat wel de rode draad vormt door deze periode van 5 maanden, is de aandacht en de steun die ik van mijn collega’s mocht ontvangen. Geen enkele week ging voorbij zonder minstens één telefoontje waarin oprecht geïnteresseerd geïnformeerd werd naar mijn toestand. Het gevoel deel uit te maken van een team, en niettegenstaande dat team perfect functioneert zonder jou, toch weten dat je gemist wordt, is minstens even belangrijk voor de genezing dan alle mogelijke medicijnen.

Ik kan dan ook alleen maar besluiten met een goede raad. Vergeet een zieke collega niet. Toon hem of haar dat hij of zij gemist wordt en je bezorgt hem of haar op die manier een levenselexir van onschatbare waarde.

Tot slot dus een hartelijk woord van dank, speciaal voor mijn collega’s. Natuurlijk ook dank aan al diegenen die oprecht naar mij geïnformeerd hebben en mij hun groeten lieten overbrengen. Weet, dat ik het allemaal geapprecieerd heb.

Getekend, 15 april 2000

Een VHM’er met ziekteverlof, vanuit het UZ Gasthuisberg

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s