Wanneer mantelzorgen een extra ‘zorg’ wordt…


Wanneer iemand in de familie, kennissenkring of buurt zorgbehoevend wordt, zijn er vast altijd een aantal mensen die héél erg bewust kiézen voor de rol van mantelzorger. Maar ik ben ervan overtuigd dat het merendeel van de mantelzorgers er – net zoals ik – een beetje ‘inrolt’, gewoon omdat het van hen verwacht wordt. En dat gaat allemaal ook meestal goed… maar wat als het allemaal wat véél wordt? Wat als het mantelzorgen een extra ‘zorg’ wordt en de agenda overladen raakt?

Toen in juni 2008 duidelijk werd dat mijn schoonmoeder dementerend was, heb ik me eigenlijk nooit bewust de vraag gesteld of ik als mantelzorger wilde fungeren voor haar en haar inwonende mentaal gehandicapte zoon… het was als iets vanzelfsprekends dat ik de zorg op mij zou nemen. Je weet op zo’n moment ook – gelukkig – niet wat je daarbij allemaal te wachten staat. En net als bij bijna alles in het leven, krijg je ook hierbij geen handleiding. Ik leerde dus al doende, volgde meestal mijn intuïtie en gebruikte mijn mensenkennis en energieke overtuigingskracht om datgene gedaan te krijgen wat ik nodig vond. Gaandeweg werd ik ook een meester-organisator, want structuur en routine waren héél erg belangrijk, vooral voor mijn schoonbroer maar ook voor mijn schoonmoeder. Bovendien moest ik naast de mantelzorg natuurlijk ook mijn eigen gezin en huishouden op de rails houden. Maar zoals dat vaak gaat in het leven: telkens wanneer ik het min of meer allemaal onder controle leek te krijgen, haalden de gebeurtenissen me alweer in en moest ik soms de hele agenda opnieuw omgooien. Zo was er naast de zorg voor mijn schoonmoeder en schoonbroer inmiddels ook de zorg voor Nonkel Maurice bijgekomen. Want wat begon met het doen van zijn was omdat die niet langer bij mijn schoonmoeder mocht gedaan worden door de gezinshelpster, werd eigenlijk al snel méér. Je weet wel hoe dat gaat: je komt er regelmatig aan huis om de was op te halen of te brengen en gaandeweg krijgt zo iemand dan toch meer vertrouwen in je en de ene keer vraagt hij om iets mee te brengen van de winkel en een volgende keer rij je met hem naar de bank. En voor je het weet ben je ook daar een full-time mantelzorger en heb je er iemand bij die steeds meer op jou vertrouwt.

In die periode voelde ik ook wel dat het allemaal een beetje véél werd en dat was eigenlijk ook één van de redenen waarom ik de vraag gesteld had tot het organiseren van een zorgoverleg. Maar wanneer je een twaalftal mensen, waaronder dokters en zelfstandige verpleegsters, moet samenbrengen, dan lukt dat ook niet op één twee drie… en ondertussen gaat het leven toch gewoon verder en moeten er toch beslissingen genomen worden. Met als gevolg dat ik de meeste dingen die gepland waren om te bespreken op het grote zorgoverleg, toch alweer zélf had geregeld en georganiseerd. Nu bleef er nog genoeg te bespreken over zoals bijvoorbeeld de inschrijving van mijn schoonmoeder op de wachtlijst van dat rusthuis waarbij ik helemaal geen goed gevoel had en hoe het eventueel verder zou gaan met mijn schoonbroer als mijn schoonmoeder zou opgenomen worden. Maar dat was dus voor later.

Inmiddels was het vrijdag 27 maart 2009, de tweede dag dat mijn schoonmoeder naar het dagopvangcentrum voor dementerenden zou gaan. ’s Ochtends om half acht stap ik op mijn brommer om naar mijn schoonmoeder te rijden. Want het is wel zo geregeld dat ze door het busje van het dagopvangcentrum zal opgehaald worden, maar dat betekent niet dat het allemaal vanzelf loopt. Mijn schoonbroer moet om kwart voor acht de deur uit om nu ook de eerste keer op vrijdag te gaan werken en het busje om mijn schoonmoeder op te halen, komt pas tussen half negen en negen uur. Nu is het sowieso al geen optie om mijn schoonmoeder zo lang alleen te laten en bovendien is de kans heel erg reëel dat ze de deur niet zou openen wanneer ze haar komen ophalen. Dus zal ik vanaf nu iedere donderdag- en vrijdagochtend met mijn brommer naar mijn schoonmoeder rijden om ervoor te zorgen dat alles zo rustig mogelijk verloopt en dat ze ook effectief naar het dagopvangcentrum vertrekt en zo ben ik er meteen ook zeker van dat mijn schoonbroer op vrijdag telkens op tijd de deur uit is.

En die eerste vrijdagochtend verloopt alles ook vrij vlot. Mijn schoonmoeder vraagt meerdere keren waar ze nu weer naartoe moet en waarom, maar ze laat zich ook telkens vrij snel geruststellen als ik haar herinner aan de vorige dag en dat ze het daar toch naar haar zin gehad heeft. Ze gaat ook een paar keer de gang in en trekt haar mantel aan, maar trekt die ook even snel weer uit als ik haar zeg dat het nog wel eventjes duurt. Wanneer het busje er dan eindelijk is, gaat ze ook vrij gewillig mee. Op dat moment voel ik toch enige opluchting. Het is dan wel weer een extra taak en belasting om er iedere donderdag- en vrijdagochtend te staan, maar als het zo vlot verloopt, geeft dat toch ook weer een goed gevoel. Die avond zullen we mijn schoonbroer meenemen om haar te gaan ophalen in het dagopvangcentrum. Op die manier kan hij zich ook beter een beeld vormen en zal hij wellicht ook geruster zijn dat zijn moeder het daar best goed heeft.

Zo rijden we die avond samen met mijn schoonbroer naar het dagopvangcentrum om mijn schoonmoeder op te halen. Maar zo tevreden als ze de dag voordien was, zo bozig is ze nu. Ze zit helemaal afgezonderd van de groep en zodra ze ons ziet binnenkomen, kan ze niet snel genoeg meegaan. Ik vraag aan de begeleidster of er iets bijzonders gebeurd is, maar krijg daar een ontkennend antwoord op. Ze heeft het de hele dag naar haar zin gehad, heeft meegedaan met alle activiteiten… het is pas het laatste halfuurtje ongeveer dat ze zich wat afgezonderd had en zelfs wat geslapen had. In de auto krijgen we echter hele verhalen over ruziënde families, weglopende kinderen en ze vertelt dat ze vier keer zwaar gevallen is en dat ze haar gewoon hebben laten liggen en dat die ‘ambetante schoonzuster’ van haar (het mensje is al jaren dood) haar nog staan uitlachen heeft ook. Mijn schoonbroer, de arme jongen, begrijpt natuurlijk niet dat haar verhalen kant noch wal raken en het gevolg zijn van de dementie. Als we thuiskomen, neem ik hem dan ook even apart om hem te proberen uitleggen dat die dingen helemaal niet gebeurd zijn. Op dat moment wordt het me echter ook heel erg duidelijk dat we voortaan ook op donderdag- en vrijdagavond – naast het gewoon ophalen van mijn schoonmoeder in het dagopvangcentrum – ook de nodige tijd zullen moeten uittrekken om haar thuiskomst enigszins te begeleiden.

En dat maakt de agenda dus nóg zwaarder en dat is iets waar ik me toch wel eens zorgen om maak… want zo kan ‘mantelzorgen’ nooit bedoeld zijn. De donderdagavond zit nu echt propvol. Wanneer mijn man thuiskomt van kantoor moeten we eerst langs een bankautomaat, want op donderdag krijgen zowel mijn schoonmoeder als mijn schoonbroer hun weekgeld. Daarna naar het dagopvangcentrum om mijn schoonmoeder op te halen en bij thuiskomst voldoende tijd uittrekken om de verhalen van mijn schoonmoeder voor mijn schoonbroer te relativeren. En dan naar de winkel om boodschappen (zowel voor onszelf, voor mijn schoonmoeder als voor nonkel Maurice) die we dan zaterdagochtend vroeg afleveren. Nu zou je natuurlijk kunnen zeggen: dat kan je toch spreiden allemaal… dat moét toch niet allemaal per sé op donderdag… of: de wereld zal toch niet vergaan als ze een keertje op een andere dag hun weekgeld of hun boodschappen krijgen? En natuurlijk zal de wereld niet vergaan… maar het is precies die vaste structuur en routine die na bijna een jaar zorg voor de nodige rust gezorgd heeft. Bovendien is alles ook heel erg doordacht. Want wanneer ik mijn schoonbroer zijn weekgeld op een ander moment zou geven, zou dat al heel snel tot problemen leiden. Als ik het hem op donderdagavond geef, kan hij die dag niet meer naar de winkel en op vrijdag werkt hij, dus ook dan heeft hij weinig kans tot zijn  toch nog steeds ongeremd koopgedrag. Dat betekent dat hij zaterdagochtend dus geneigd zal zijn om naar de winkel te gaan om vanalles in huis te halen. En dat is dus de reden waarom we zorgen dat we de zaterdagochtend vroeg reeds de boodschappen bij hen kunnen afleveren. Maar dat betekent dus boodschappen doen op donderdagavond, want op vrijdagavond is het gewoon te druk en bovendien moeten ik en mijn man dan naar de kinesist. Het is dus allemaal heel erg goed uitgekiend en alles is ook om een bepaalde reden zo geregeld. Maar dat neemt niet weg dat het eigenlijk té zwaar wordt. En ik moet eerlijk toegeven dat ik het alleen maar volhoudt door mezelf er steeds aan te herinneren dat dit ‘eindig’ is… dat het niet altijd en voor eeuwig zo zal gaan. Ook het feit dat je datgene doet wat voor iedereen het beste is en de voldoening die je toch vaak hebt bij de dingen die goed gaan, maakt het ook allemaal leefbaar. En wie weet brengt het zorgoverleg toch ook enkele oplossingen die de agenda wat minder zwaar maken… zo sus ik mezelf… En de boer, hij ploegde voort!

Advertenties

Over Martine Vangaver

ben passioneel bezig met het ijveren voor meer toegankelijkheid van de sociale voorzieningen voor de meest zorgbehoevenden in onze maatschappij en schrijf daarover op https://martinevangaver.wordpress.com/ Verder ben ik als voorzitster van Ziekenzorg CM Leefdaal (vanaf 24 september Samana) even passioneel bezig met de verjonging en vernieuwing van onze plaatselijke werking
Dit bericht werd geplaatst in dagopvang, dementie, mantelzorg, mentaal gehandicapt en getagged met , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s