Wat als je niet meer weet dat thuis thuis is?


In België noemen we het in de volksmond: wegloopgedrag. Nederlanders hebben het over ‘dwalen’. Voor mij is en blijft het het meest intrigerende verschijnsel dat je wel vaker ziet bij mensen met dementie of de ziekte van Alzheimer… de drang om naar huis te willen, zelfs wanneer ze thuis zijn maar dat blijkbaar niet meer beseffen.

November 2008. De laatste weken valt het me op dat mijn schoonmoeder steeds vaker hele periodes heeft waarop ze ‘afwezig’ is. Ze zit dan voor zich uit te staren en reageert nergens op. Die ‘episodes’ duren meestal zo’n vijf tot vijftien minuten en als iemand dan nadien bijvoorbeeld vraagt of ze misschien zat te dromen, wordt ze soms boos. Het zijn de (zeldzame) momenten waarop ze, denk ik, beseft dat er iets niet goed gaat in haar hoofd.

Ook vraagt ze steeds vaker hoe het gaat met ‘moe’… haar grootmoeder die al méér dan 40 jaar dood is. Nu is het wel zo dat mijn schoonmoeder door haar grootouders werd opgevoed. Haar moeder, de oudste uit een gezin van acht, overleed drie maanden na de geboorte van mijn schoonmoeder en zij en haar 1-jaar oudere broer werden vervolgens opgenomen in het toch al grote gezin waarvan de jongste op dat moment ongeveer zes jaar was. En ofschoon die jongste telg (de enige nog levende) tot op heden nog steeds wordt benoemd als ‘nonkel Maurice’, heeft mijn schoonmoeder hem altijd als haar broer beschouwd. Tot voor enkele maanden deed ze ook alle was en strijk voor hem. Enfin… het is duidelijk dat als mijn schoonmoeder het heeft over ‘moe’, dat dat voor haar gelijkstaat met haar ouderlijke ‘thuis’, dat overigens slechts een kleine halve kilometer van haar huidige thuis is.

Nu is mijn schoonmoeder altijd een echte huismus geweest met weinig tot geen sociale contacten, uitgezonderd misschien met de naaste buren. Geen vriendinnen, geen uitstapjes… zelfs in het dorp komt ze nauwelijks, behalve als het niet anders kan om bijvoorbeeld naar de kapper te gaan. Je begrijpt dan ook mijn verbazing wanneer iemand me vertelt dat ze mijn schoonmoeder samen met mijn schoonbroer  heeft zien wandelen. Ik kan het nauwelijks geloven en denk dat het een vergissing moet zijn. Mijn schoonbroer heeft er me ook niets over gezegd. Ik sta er dan ook verder niet bij stil en het gaat snel uit mijn gedachten. Tot het ineens duidelijk wordt dat er echt wel iets ernstigs aan de hand is…

Zoals iedere avond kom ik rond een uur of zeven aan bij mijn schoonmoeder om haar avondtoilet te maken en haar medicatie te geven. Nét op het moment dat ik de sleutel in het slot van de voordeur wil steken, wordt de deur opengedaan. Mijn schoonmoeder staat voor me, met haar jas aan en een plastic zakje in haar hand. Ik weet eventjes niet goed waar ik het heb en vraag wat verbouwereerd waar ze heen gaat. Wat bozig antwoordt ze: “ik ga naar huis jong (een dialectwoordje dat ze gebruikt wanneer ze geen tegenspraak duldt)”. Ik sta met mijn mond vol tanden en weet niet goed hoe te reageren. Op mijn vraag waar ze dan precies naartoe wil, noemt ze haar (echte, huidige) thuisadres. Ondertussen probeert ze ook echt naast me naar buiten te stappen maar dat probeer ik toch met alle macht te voorkomen. Ik denk koortsachtig na… want dat ik op dit moment moeilijk kan zeggen dat ze thuis is, lijkt me evident. Het zou haar denk ik alleen maar bozer – en mogelijk nog verwarder – maken. Ik probeer haar opnieuw naar binnen te laten gaan door te zeggen dat ik haar eerst nog even iets wil vragen. Ze pruttelt nog wat tegen… maar het wonderlijke is wel dat – wanneer ze zich uiteindelijk omdraait en opnieuw richting huiskamer gaat en daarbij aan de kapstok voorbijkomt – ze spontaan haar jas uittrekt en aan de kapstok hangt… alsof ze net thuiskomt. Het plastic tasje blijft ook in de gang staan en in de woonkamer gaat ze meteen op haar vertrouwde plekje zitten. Wég is de boosheid… en als bij toverslag lijkt ze de voorbije vijf minuten en het feit dat ze wég wou, zelfs helemaal vergeten te zijn. Je vraagt je dan toch wat geïntrigeerd af hoe dat ‘werkt’ in haar hoofd. Ze laat zich vervolgens ook gewillig wassen en verzorgen en is de vriendelijkheid zelve. Mijn schoonbroer zit er maar stilletjes bij en ik neem me voor om hem één van de volgende dagen – op een moment dat ik hem eventjes alleen kan spreken – te vragen of dit nog al gebeurd is. Want nu leg ik natuurlijk wél de link met het verhaal over de gezamenlijke wandeling van die twee. Vermoedelijk is mijn schoonmoeder toen ook buitengegaan en heeft mijn schoonbroer – die absoluut niet in staat is daar tegenin te gaan – de best mogelijke beslissing genomen en is hij gewoon met haar meegegaan.

Mijn vermoeden wordt enkele dagen later inderdaad door hem bevestigd en ik druk mijn schoonbroer op het hart om moeder zo goed mogelijk in de gaten te houden. Het plaatst me ook meteen voor een nieuw dilemma. Want tot nu toe werd de voordeur nooit echt ‘op slot’ gedaan. Op die manier kunnen zij gewoon naar buiten zonder daarvoor een sleutel nodig te hebben, terwijl iedereen die naar binnen wil toch een sleutel nodig heeft om de deur te kunnen openen. Maar het feit dat mijn schoonmoeder gewoon de deur van binnenuit kan openen, vormt nu dus een probleem.

Enkele dagen later – wanneer ik samen met mijn man op een gemeentevergadering zit – krijgen we een paniekerig telefoontje van mijn schoonbroer. Moeder is verdwenen. Ik raad hem aan om alvast richting ‘ouderlijke thuis’ te gaan zoeken en beloof hem meteen zelf ook met de auto te gaan zoeken. Tegen de tijd dat ik ter plaatse ben, zijn ze al terug thuis. Ze was inderdaad op weg naar haar ouderlijke thuis. In de plastic zak die ze ook nu weer bij zich had, blijkt een verzameling te zitten van inderhaast bijeen genomen spulletjes… alsof ze haar tas heeft klaargemaakt om ergens te logeren. Maar bij nader onderzoek blijkt het om een vuile onderbroek, een pull van mijn schoonbroer, een keukenhanddoek en enkele vodden te gaan. Ook nu is ze het hele voorval zelf al heel snel terug vergeten… maar het is nu wel duidelijk dat dit een behoorlijk gevaarlijke situatie wordt.

De enige mogelijke oplossing om een herhaling te voorkomen, is de voordeur effectief van buitenaf op slot doen. Maar dat betekent ook dat ik mijn schoonbroer dan toch een sleutel zal moeten geven… want stel dat er ’s nachts iets gebeurt… dat er brand uitbreekt of iets dergelijks. Ik zou het niet op mijn geweten willen dat hen iets overkomt omdat ze het huis niet uit konden. Maar als mijn schoonbroer een sleutel heeft, krijgen we opnieuw het risico dat hij de sleutel aan de binnenkant steekt en daarmee alle hulpverlening buitensluit. Uit informatie ingewonnen bij een slotenmaker, blijkt dat er ook sloten bestaan waarbij je van buitenuit toch nog de deur kan openen als er vanbinnen een sleutel op het slot zit. Dat zou natuurlijk ideaal zijn. Groot minpunt is echter de kostprijs… zeker als je weet hoeveel reservesleutels daarvan dan zouden moeten gemaakt worden voor mijn schoonzusje, de thuisverpleging, de gezinshulp, de dokter, de oppas… Het is financieel gewoon niet haalbaar.

Uiteindelijk zit er niets anders op dan in alle vertrouwen toch weer een sleutel aan mijn schoonbroer te geven. Ik druk hem echter op het hart dat hij die ten allen tijde in zijn portefeuille moet laten zitten en dat die enkel dient om in uiterste noodgeval de voordeur te kunnen openen. Verder druk ik iedereen die er aan huis komt en een eigen sleutel heeft, op het hart om telkens bij het buitengaan de deur ook echt op slot te doen. Geen ideale situatie… maar het werkt min of meer. Ik merk ook dat mijn schoonbroer eigenlijk gerustgesteld is telkens wanneer ik ’s avonds vertrek en hem stilletjes toefluister dat ik de deur op slot zal doen. Het geeft hem natuurlijk de rust dat hij moeder niet bij iedere stap moet volgen en in de gaten moet houden. Want uiteindelijk is dat een verantwoordelijkheid die je zo’n jongen niet zou mogen moeten geven. Maar dat is nu eenmaal de realiteit van het dagelijks samenleven met iemand die steeds meer dementerend is…

Het wordt nu voor iedereen duidelijk dat de toestand van mijn schoonmoeder heel erg snel in negatieve zin evolueert en ik neem me voor om de volgende dag toch weer even contact op te nemen met het rust- en verzorgingstehuis waar ze ingeschreven is om te zien of het vertonen van ‘wegloopgedrag’ haar nu eindelijk in de hoogste categorie brengt waarmee ze voorrang krijgt. Je zou immers toch denken dat ieder weldenkend mens begrijpt dat de huidige situatie niet langer houdbaar is en dat een dringende opname in het rusthuis de enige logische en verantwoorde stap is… Hoe dat werkelijk zit, lees je hier een volgende keer weer.

Advertenties

Over Martine Vangaver

ben passioneel bezig met het ijveren voor meer toegankelijkheid van de sociale voorzieningen voor de meest zorgbehoevenden in onze maatschappij en schrijf daarover op https://martinevangaver.wordpress.com/ Verder ben ik als voorzitster van Ziekenzorg CM Leefdaal (vanaf 24 september Samana) even passioneel bezig met de verjonging en vernieuwing van onze plaatselijke werking
Dit bericht werd geplaatst in dementie en getagged met , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Een reactie op Wat als je niet meer weet dat thuis thuis is?

  1. cecile segers zegt:

    de periode voor de opname in een verzorgingstehuis is de zwaarste voor de familie.De voortdurende bezorgdheid bij hun over hun dalende en soms dolende partner vraagt bergen energie.
    Ook het feit van er inderdaad alleen voor te staan is zenuwslopend.

    Bedankt Martine voor je info!!

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s